Corona, onderwijs en inburgering

Het achtste deel van het blog 'Migratie in tijden van corona'

Twee deelnemers aan een inburgeringsles
Twee vrouwelijke migranten volgen inburgeringsles in de tijd dat er nog geen corona was

De flexibiliteit en creativiteit die het onderwijs tijdens de coronacrisis aan de dag heeft gelegd om aangepaste wegen van onderwijs te realiseren, bieden prima perspectieven om ook het inburgeringsonderwijs op een volwaardige en effectieve wijze te kunnen inbedden in het mainstream onderwijs. Daarbij is het cruciaal dat dit onderwijs, als publieke investering in de toekomst, niet aan de markt wordt overgelaten.

De coronaperiode heeft het centrale belang van onderwijs in onze samenleving meer dan duidelijk gemaakt. Leerlingen zaten thuis, ouders moesten lestaken overnemen en scholen en leerkrachten hebben zich in alle haast voorbereid om de omschakeling naar digitale onderwijsvormen zo goed mogelijk te realiseren. Dat is aardig gelukt. Scholen maakten snel, creatief en succesvol gebruik van de verschillende mogelijkheden die het internet biedt. Denk daarbij aan het lesgeven via een videoverbinding, het op afstand afnemen van toetsen of het combineren van vormen van opvang en onderwijs.

Dat onderwijs belangrijk is voor iedereen behoeft geen betoog. Voor de kleuter, de middelbare scholier en de student geldt dat. Maar net zo goed gaat dit op voor migranten die naar Nederland komen. Ook zij hebben een concrete onderwijsbehoefte. Inburgeren en integreren is een cruciale noodzaak om te kunnen communiceren en een plek in de maatschappij te verwerven. Ook de samenleving als geheel heeft baat bij zelfstandige en vaardige nieuwkomers die kunnen bijdragen en deelnemen aan de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving. Voor inburgeraars gaat het om het leren van de Nederlandse taal, het verkrijgen van kennis over de samenleving en het ontwikkelen van vaardigheden etc. Inburgering is een onderdeel van het onderwijs. Dat betekent ook dat migranten voor hun inburgeringstraject, net als de overige ‘scholingsgroepen’, afhankelijk zijn van een inhoudelijk en procesmatig adequaat onderwijs.

Juist daarom is het opvallend dat er in de afgelopen maanden relatief weinig aandacht is geweest voor de extra lastige onderwijssituatie waarin specifiek inburgeraars zich bevinden. De media berichtten wel over de sociaaleconomische verschillen binnen de groep van leerlingen in het primaire en voortgezet onderwijs. Voorbeelden van rijkere ouders werden beschreven die hun kinderen makkelijk over technische en pedagogische hulpmiddelen zoals laptops, IPad, goede Wifi of extra bijles en huiswerkbegeleiding lieten beschikken. Dit in tegenstelling tot de minder draagkrachtige groep of zelfs de kinderen die helemaal van de radar verdwenen van scholen en leerplichtambtenaren. Maar al deze door corona ontstane situaties op de reguliere scholen, zijn nog meer prangend in het inburgeringsonderwijs. Menig inburgeraar had al geen computer voorhanden om het voor hen weinig productieve afstandsonderwijs, als dat er al was, te kunnen volgen. Ook konden er geen examens worden afgelegd. Om dan nog maar te zwijgen over de financiële problemen bij de ROC’s, de concurrentie van de particuliere taalscholen en de boetes die de inburgeraars boven het hoofd hangen bij het niet tijdig halen van hun inburgeringsexamen, al is voor dat laatste recent wel wat coulance gekomen.

De infrastructuur voor het inburgeringsonderwijs is door de eertijds (door bezuinigingen gemaakte) keuze voor marktwerking uiterst fragiel gebleken en heeft een heel verkeerde uitwerking gehad. De diverse voorbeelden van fraude bij aanbieders van inburgeringstrajecten spreken voor zich. De adviescommissie en anderen hebben over het falende inburgeringsbeleid door de marktwerking diverse keren al de noodklok geluid. De strekking van die adviezen was steeds dat de overheid de weg moet wijzen met een aanbod van betrouwbare taalscholen die maatwerk bieden en daardoor meer succes kunnen realiseren. De inburgeraar moest zich in de coronaperiode echter veelal zelf zien te redden. Dit alles geeft te denken. Daarom is het zeer wel aannemelijk dat, net als in het onderwijs, de coronacrisis de inburgeraars meer op afstand heeft geplaatst en de kans groter is geworden dat er hierdoor meer verschillen tussen groepen in de samenleving ontstaan. Een lichtpunt bij dit alles is evenwel dat al ruim voor de coronaperikelen minister Koolmees hard heeft gewerkt aan een nieuwe inburgeringswet. Deze wet, die op 2 juli goedkeuring kreeg van de Tweede Kamer, geeft gemeenten meer regie op de inburgering en moet ook gaan voorzien in een leerroute die de mogelijkheid geeft op instroom in het reguliere onderwijs. Dat zijn stappen in de goede richting.

Kijkend naar de situatie van de inburgeraars in de coronaperiode, valt op dat er nogal wat aanwijzingen zijn dat zij grote problemen hebben ondervonden vanwege de noodzaak van afstandsonderwijs. Het bereik van dat onderwijs was laag en daarmee was de uitval onder inburgeraars hoog. De negatieve gevolgen daarvan zijn er niet alleen voor de inburgeraar, maar ook voor de samenleving. De coronacrisis heeft laten zien dat er in korte tijd scherpe maatschappelijke opdelingen kunnen ontstaan die hun grondslag vinden in het onderwijs. Laten we dat als samenleving proberen te voorkomen en er voor zorgen dat ook de inburgeringstrajecten volwaardig en effectief worden en uiteindelijk integraal tot het Nederlands onderwijs gaan behoren. De nieuwe inburgeringswet en de reeds genomen maatregelen om de achterstand van nieuwkomers bij het integratieproces zo klein mogelijk te houden scheppen daartoe al enige basisvoorwaarden. Nu nog de uitvoering waarbij zeker goed rekening moet worden gehouden met de reeds opgelopen achterstanden.

Dit blog is samengesteld door Helga de Valk, Hugo Fernandes Mendes en Wolf Mannens